De puntjes staan altijd op de i
en de zon rijst in het oosten
Regeringen zonder compromis
’t is wit of zwart
en niets daartussen
Een land in lichterlaaie
met brandhaarden ongedofelijk
een hittegolf van vonken die we voelen
en toch blussen
Lijm van boeken die jaar
na jaar
op zolder heeft gesleten
door apathie afgevreten,
disparu,
een vagevuur niet langer houdbaar
Een eenrichtingsverkeer
zonder enig kruispunt,
elk huis een cul-de-sac
(althans zo baas zo gevel)
maar nooit gekraakt
(en verre van geraakt)
en aan Pritt als substituut
heb ik me al eens teslecht gedaan:
en je weet wat ze zeggen van die ezel.
Geen wuiven van herkenning
of iets anders amicaal
allez, op die paardenkop toch na
“Dag Madeleine!”
“Bonjour Frou Frou de Bastogne!”
“Awel, zegde gij niks, meneer Hagel?”
(hun joie de vivre is aangebrand,
aangekoekt)
Eenzaam eet ik dan
die chocoprins, ja stereotiep
(De pot op met vanille!
Hetzelfde met Frou Frou en Madeleine!)
De kat heeft de tong
en mijn ei kan ik zo niet kwijt
(de ironie spat ervan)
Dan noteer ik in ’t geniep
verhuld met schone woorden
iets tussen taart en thee
of koffie, in mijn geval
“Wie deelt door nul is een sul”,
zei de meester van het eerste en
ik ben geen nul maar een één!
Ik is maar één ik,
maar ik plus ik is wij en
wij plus wij is wijder
Ik voel me zo van u
verengd, liever nog een i erbij
en het punt is gemaakt
al staat het er net niet loodrecht boven
