in een ogenblik

je vraagt me wat er scheelt ik zeg
niets in het bijzonderling
mijn ogen prikken want ik hoorde daarnet
de koetjes tussen jullie onderling
je zei liever kwijt dan rijk
en je keek
maar je keek zonder

asteriskjes in je ogen
oehs en ahtjes die uitkwamen, bedrogen
melodietjes die me knikkebollend in slaap wiegen
de ademnood die me plots durft bevliegen
sweet nothings die enkel jij en ik begrijpen
dromen waar ik mezelf soms voor moet knijpen.

ik vraag me af is het geen zonde
dit ding dit iets dit
glooiend ontplooien
onze uitdovende schittering
en mijn ogen prikken, want ik hoorde daarnet
de kalfjes tussen jullie onderling
en je keek
maar je keek zonder

zacht me

zacht me zacht me
zucht
vlei me
neer naast jou
meer naast jou
onderzoek me knipogend
met je wimpers op mijn hals
wentel me
in je gedachten
om je vinger
in je zucht

zacht me zacht me
zucht
zeem me zoet
belaag me met je
fonkel-, glinster- en anderingen
hoor hoe ik klop
hoor me zingen

je aardt me
bewaardt me, bewaart me
trekt je terug
en aarzelt, dan aanvaardt me
en erveert me, dan bedaart me
raapt me op als ik weer val
vergaart me

zacht me zacht me
zwijg mijn zucht
neem me mee
op reis en vlucht
zeg het, gris me mee
fluister en verzoek me
overdonder en bezweer me
zeg het, zeg
en zacht mijn zucht
laat me nu niet smeken

Niet vandaag

Het is langer dan bijna een jaar
maar die dag brak aan als gisteren
een hoofd in de wolken
maar wolken grijs gevuld met gedreun
donder en bliksem, knal knal knal
een opklaring van morgenrood
vandaag nog blue

Het is langer dan bijna een jaar
maar niet vandaag
ik hijs de zeilen niet
ik weiger, zei ik huiverachtig,
                  zij het huiverachtig
zet me bakboord
tuur me tureluur
zwijg stil schreeuw luid zwijg weer stil
droedel op een memoblok
zeg dag en zucht
spreken en varen doe ik morgen wel
in ’t morgenrood
vandaag nog blue

Appelsap en beetlejuice

Uw aanwezigheid is ongevraagd
ongepast
pas
pas op die lastige vragen
en die betuttelende levenskwesties van
heb-ik-je-daar
dus ik pas
de doos halfvol
het glas halfleeg
en kan ik morgen eens passeren
allez, als ’t past
maar uw aanwezigheid is nu ongepast
dat zeg ik al voor de tweede keer
en uw lijf blijft verstard
in mijn weg
scheer u weg
en scheer de mijne ook
in plaats van altijd te profiteren
want deze keer pas ik
verdraaid
na elke vraag komt nog een
en je doet het voor je plezier, hé,
ik zie het
en ik maar drinken
slikken
drinken
appelsap en beetlejuice
glugglugglugglug
alles op
pas op
ik sla en ik bijt
spuw vuur
en zucht zacht
fluister en zever
en mekker
is er een zondebok in de zaal
want ik pas
nee inderdaad
nog maar pas
gewoon zo’n drie daagjes of zo, ja
allez, dag Jacqueline …
trut.
het is gedaan, zei ik
ik weet het antwoord ook niet en
nee, Ben, steek uw Selexion stofzui-
pas en cut
everyone take five
stilte op de set
appelsap en beetlejuice
in een kartonnen brik dat ingedeukt is
take vijfentwintig
en het trekt nog steeds op niets
dus heb ik gepast
en de superprijs verloren
ach, ’t is ’t verhaal van mijn leven,
op de carrousel greep ‘k er ook altijd naast
en ’t glas is halfleeg
mijn haar intussen halflang
de weg half afgelegd
en mijn werk half z’n gat
want ik sla en bijt
zucht zacht en spuw
gal
zever, gezever
fluister
dat de dag aan mij passeert
en struikel dan de nacht in
’t werd toch tijd om te scheren
haar halflang
ik weg
op pad
toch zo’n drie daagjes of zo, ja,
met een rugzak halfvol
de tent van op de zolder lekt water
het matje ook maar dan lucht
de proviand slinkt
en ik slik drink schrok
appelsap en beetlejuice.

Zie me weer graag

Misschien was ik te vaak op mezelf
in isolatie
op mijn eigen gezelschap gesteld
een schelle stem die gilt in het donker
in het diepe
in het nog diepere
maar nog niet in het diepste,
want dat is te ver
aan de oppervlakte was alles stil
een omhulsel achter een bureau
tiktokkelend op een klavier
in weer een videomeeting
tot de klok slaat en
de volgende meeting start
ik denk aan je haar dat ruikt naar gebrande koffiebonen en de rijkste haver
ik denk eraan, maar ruik het niet langer
misschien was ik te vaak op mezelf.

Ik zie en knipper met mijn ogen dat het me spijt,
want mijn mond heeft het lastig
het spijt me voor de keren dat ik er niet was
het spijt me voor de keren dat ik er was, maar niet echt,
dat verdomde omhulsel
een schelle stem gilt nog steeds,
maar nu in het diepste
en dat van euforie
de wind giert en ik vang vleugjes van koffie en granen
als een gierige vrek houd ik ze,
want delen doe ik niet
ik ben nog steeds in isolatie, maar dan enkel dat omhulsel,
want toen het naar huis vertrok, bleef ik bij je.
mijn hart klopte fel en het liep over
als een kopje koffie met een koekje drijvend in de ondertasplas.

Goede dagen

Vandaag is een goede dag, eentje waarop je van tevoren weet dat die deugd zal doen. Ik haal een frisse neus, verzet mijn gedachten, maar besef al vlug dat ik te vroeg gesproken heb. Je weegt nog steeds op mijn gemoed en ik ben geen Atlas, vroeg of laat zal ik bezwijken, stort ik in. Gun me die rust waar ik naar snak, geef me die tijd, dat ene ogenblikje van puffen, dat nat ogend blikje van begrip. Lief, gun me dat.

Ik doe mijn best – dat zweer ik – om gezond te leven. De slaatjes worden stevig opgesmikkeld en ik praat, o ja, ik praat, maar ik blijf bang. Ik vrees dat ik mijn beste jaren aan je heb verspild. Ik probeer en ik poog, tracht en verzoek, duidelijkheid te scheppen; chaotische orde in de chaos. En jou, lief, het kan jou niet eens wat schelen.

En toch, na alles, zelfs nu, zelfs morgen geloof ik in de goede dagen, dat altijd.

Mijn leven wordt geleid door mijn angsten en gebreken. Zeg het me, draag het me op en ik verdwijn voorgoed. Is dit nu hoe de inwoners van Jericho zich voelden toen ze de Israëlieten om hun stad zagen marcheren? Of evenaart dit de pijn van Job, die alles verloor? Zelfs Job, gebukt onder verlies, ja zelfs hij gelooft in de goede dagen, met een zon hoog aan de hemel, dat altijd.

Vandaag is geen goede dag, maar dat wordt het wel. Ik mis jou niet noch je berichten; ik kies er gewoon voor niet langer te antwoorden. Je bent lucht, als de lucht aan een klare hemel verlicht met een warme zon. Zie je, ik grap soms, maar ik ben nog steeds maar een lente. De zomer is nog maar in aantocht en mijn herfst en winter zijn nog veraf. Ik verlang niet naar de fontein van het eeuwige leven, naar het levenselixir of een steen der wijzen. Ik verlang louter naar die goede dagen, ja, naar die goede dagen, en dat voor altijd.

Men zegt dat ik gek (part II the remix)

Het begon met een hallo
en het eindigde ook zo,
elke dag opnieuw,
een einde is een nieuw begin
of een andere postkaart van Bond Zonder Naam
band zonder naam
gewoon jij en
ik denk dat ik gek
een bassline die me overvalt
een stroboscoop die me boeit
scherven gebroken glas rondom ons
en enkele splinters zitten zelfs in me
ze zijn beginnen ontsteken en uit nalatigheid vergroeid
(lap, nog een kilootje erbij)
maar de hallo en wij waren er dus
en dat is het enige dat ik me nog herinner

Men zegt dat ik gek
en jij zegt dat ook.

Ken je dat gevoel,
dat moment van verwachting
het orenblik waarop je een perfect getimede pirouette op de beat maakt
je wentelende ruggengraat die de tango danst
hoewel je eerder voor een salsa aan het mikken was
en de streling die je vallende lichaam grijpt
dichter trekt
drukt
klop klop klopt

Ken je dat gevoel,
van poriën die plots verschijnen
haaropstaande rechten en lippende beven
terwijl je arm met ademhalende stokken
langzaamaan maar onzeker
naar zijn hoofd zoekt
zijn haren glijdend tussen je vingers
als het zand op een parelmoeren strand

Ken je dat gevoel
van kwijtende klutsen? Men zegt dat ik gek
en ik zeg dat niet,
maar ik denk het wel.

Wij zijn hier

Wij zijn hier.
Ik ben de bakker op de hoek
en mijn broodjes zijn gebakken
hij is de slager twee huizen verder
Wij zijn hier.
Wij zijn de politici die beter als caissière werken,
bedreven in het zakjesvullen
Wij zijn hier.
Ik ben de influencer die Gwyneths vaginakaars promoot
hij kijkt mijn video’s en koopt de kaars
Wij zijn hier.
Hij is de loodgieter die ik bel voor de lekkende kraan
’s avonds drinken we samen een biertje
of zo
Wij zijn hier.
Ik ben de CEO van de CIA
hij van FBI, zij van NSA
Wij zijn hier.
De kat scheurt mijn PMD-zak even fel open
ik ben de burger in peignoir
die vloekt in zijn deuropening
Wij zijn verdorie hier.
Nondemiljaardedju he
de wc stroomt over
waar is het kaartje van die knappe loodgieter?
Is hij hier?
Ik ben de trouwer aan ’t stadhuis
maanden later nog steeds rijst tevoorschijn toverend
uit mijn oren
Wij zijn hier.
Hij is de dokter, zij de psychiater
hun ereloon bedraagt evenveel eer
Wij zijn hier.
Zij zijn arbeiders
gevangen in een constructie
waar ze niet aan kunnen ontsnappen
Zij zijn hier.
Ik ben de druppel die de emmer deed overlopen,
de bal die aan het rollen ging
Ik ben hier.
Hij is de zon en ik de maan
we zijn een denkbeeld in een museum gepreserveerd
sla ons aan diggelen en lijm ons niet
Wij zijn hier.
Wij zijn de helft van uw hart,
het product van uw genen,
uw buurman en leerkracht,
dichte of verre vriend
misschien in een andere bubbel maar
Wij zijn hier.

De amicitia

Laatst liep ik het park door
links-rechts meanderend
(lees: paraderend, ik ken mezelf)
aan de oever van het meer
aan de voet van het kasteel
zette ik me
(lees: struikelend plofte ik een meter dichter dan waar ik verpozen wou,
half in drassig gras en gedeeltelijk in wat ik hoopte dat aarde was)
mijn omgeving was een vreemde,
een leverancier van het zoveelste pakje
dat je misschien toch niet nodig had,
behalve die wolfspoot en dat koninginnenkruid,
die stonden in bloei
en torenden boven hun buren uit
’t is niet van dat ranke korenriet
of een prachtige lelie,
maar ’t moet niet altijd chiqueting-chiquetang zijn
en daarbij, die twee zijn al chique genoeg

ik ben een gewone boer op weg naar huis
mijn gedachten meanderend
links-rechts
tussen kruid en poot en
plons
ik drijf plots in een vijver
van u ik mij hij ons je zij
de vloed is warm en voert me verder
in armen van bekend
in hartendruk van gerenommeerd
de omgeving is me niet vreemd
(lees: lees! lees!),
want dit is mijn huis,
een doodgewone gevel,
maar achter ’t deurtje
een paleis met Flip et Matil groen in een hoekje
als sjofele armoezaaiers
de ontbijttafel staat er gedekt
met zoete thee en zachtere woorden
en hartendruk die klopt
en nog voor het ja-woord ongevraagd,
doch immer welgekomen,
binnenvalt
ze schenkt de thee zo elegant
en hij biedt nog een sandwich aan

door het raam van die burcht
zie ik het meer en haar oever vol dras
de wolfspoot floreert,
reikt hoe langer hoe meer naar de zon
en raakt haar bijna aan
als een zoen op de wang
het koninginnenkruid is statig,
een plant die luistert naar haar volk
en voor hen haar handen uit de mouwen steekt
menigeen kust haar hand
of hunkert daar toch naar
(lees: voel! voel! voel!)
het gefluit van de waterketel voor de volgende kan thee schudt me wakker
het kopje thee dat koud aan het worden was, zet ik aan mijn lippen
ik drink het op
en schenk het volgende uit.

Impasse

Het zweet staat me aan de lippen
ik had het moeten weten
op school had ik altijd al een onvoldoende
voor het zwemmen bij L.O.
een schoolslag kon ik wel,
maar krauw of grouw of kraai of krauwel
of hoe dan ook,
die slag kon ik niet slaan
en elke test in ’t bad
met angstzweet
zonder onderscheiding

Gisteren stormde het en de wind scheerde
– met gel geen schuim –
langs de luiken die open-toe lachten
er waaide eentje weg
en ’t was gedaan met de pret
het zweet droop van mijn voorhoofd
hup in dat bad
dat rozig kleurde
van ’t bloed via ’t kanaal langs Terneuzen
door mijn ogen zag ik niets
je vois la vie en rose
en dat zelfs zonder bril
mijn scherpte neemt niet af,
maar toe
open uw ogen,
optiekerszoon met lenzen
van zelfgenoegzaamheid
en weken oude limonine in een kan
van de pit
die bedierf.