Vandaag is een goede dag, eentje waarop je van tevoren weet dat die deugd zal doen. Ik haal een frisse neus, verzet mijn gedachten, maar besef al vlug dat ik te vroeg gesproken heb. Je weegt nog steeds op mijn gemoed en ik ben geen Atlas, vroeg of laat zal ik bezwijken, stort ik in. Gun me die rust waar ik naar snak, geef me die tijd, dat ene ogenblikje van puffen, dat nat ogend blikje van begrip. Lief, gun me dat.
Ik doe mijn best – dat zweer ik – om gezond te leven. De slaatjes worden stevig opgesmikkeld en ik praat, o ja, ik praat, maar ik blijf bang. Ik vrees dat ik mijn beste jaren aan je heb verspild. Ik probeer en ik poog, tracht en verzoek, duidelijkheid te scheppen; chaotische orde in de chaos. En jou, lief, het kan jou niet eens wat schelen.
En toch, na alles, zelfs nu, zelfs morgen geloof ik in de goede dagen, dat altijd.
Mijn leven wordt geleid door mijn angsten en gebreken. Zeg het me, draag het me op en ik verdwijn voorgoed. Is dit nu hoe de inwoners van Jericho zich voelden toen ze de Israëlieten om hun stad zagen marcheren? Of evenaart dit de pijn van Job, die alles verloor? Zelfs Job, gebukt onder verlies, ja zelfs hij gelooft in de goede dagen, met een zon hoog aan de hemel, dat altijd.
Vandaag is geen goede dag, maar dat wordt het wel. Ik mis jou niet noch je berichten; ik kies er gewoon voor niet langer te antwoorden. Je bent lucht, als de lucht aan een klare hemel verlicht met een warme zon. Zie je, ik grap soms, maar ik ben nog steeds maar een lente. De zomer is nog maar in aantocht en mijn herfst en winter zijn nog veraf. Ik verlang niet naar de fontein van het eeuwige leven, naar het levenselixir of een steen der wijzen. Ik verlang louter naar die goede dagen, ja, naar die goede dagen, en dat voor altijd.