Filet pur

Een gegeven paard kijk je niet in de bek
zelfs als is die bek in kwestie
gevuld met tanden verrot tot in de wortel
balancerend als een koorddanser op zijn zenuwen

Nee, ’t is misschien geen przewalskipaard of
– om even te namedroppen –
geen Gazelle de la Brasserie
(u ziet, ik ben veelzijdig,
van alle markten thuis)
maar ’t is een paard en ’t is van u
‘nie neuten nie pleuje’
zeggen ze in ’t Gentse
en ook dat geef ik u mee

Er zijn mensen die content zijn met veel
maar weinig die content zijn met weinig
tot welke groep u hoort, is mijn probleem niet
het kan me eigenlijk zelfs weinig schelen
treed gerust toe tot die eerste,
wees veeleisend en met momenten onmogelijk
hang de bridezilla uit, maar dan zonder die trouw
maar speel dan ook zelf maar tandarts
of orthodontist
trek die rotte tanden
stuk voor stuk
geef dat beest een beugel, maar
verwacht niet dat ik dan
als kortgerokte tandartsassistente
(dat kortgerokt is geen vereiste,
in mijn fantasie ben ik dat wel)
(’t is trouwens ook lente),
dat ik als kortgerokte tandartsassistente
uw instrumenten zal aangeven

Een gegeven paard kijk je niet in de bek,
maar van gekijk en gebek is niet eens sprake
als niemand je een paard wil geven.

24/7 nachtegaal

Mijn vingers zijn niet groen
en mijn oren nog minder
ze zeggen dat mooie liedjes nooit lang duren,
maar dat is fout en ronduit cliché
niemand belet je op repeat te klikken en het volume omhoog te draaien
en hopsa, klaar is kees
24/7 nachtegaal
tot ongenoegen van familie en vrienden
met groetjes van de buren een proces-verbaal

platen draai ik grijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds hetzelfde liedje,
net dat mooie liedje
met ineens een valse noot en een breuk,
een barst in de klinker van het tuinpad
kronkelend langs de kerselaar

een muzikaal fiasco, die nachtegaal
eindelijk iets niet door een virus afgelast,
maar door mijn eigen gegrijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds dat grauwe liedje,
(zuchtend) net hetzelfde liedje
en hopsa! klaar is Kees!
de klinker opgepikt en meegenomen
een puzzelstuk van het tuinpad weg
een treurwilg van een kerselaar
en de nachtegaal trekt naar warmere oorden

mijn vingers zijn groen en
de rest van mijn lichaam eigenlijk ook
met uitzondering van mijn ogen,
die zijn afhankelijk van de lichtinval,
maar mijn oren zijn ’t dus zeker
dat is nogmaals bevestigd
maar net als je denkt dat de kerselaar uitmunt in treuren,
verbaast hij je hoe hij zo onophoudelijk
en ongestelpt kan
bloeien

verloederd naast het tuinpad
met hangende takken en verwaterde wortels
maar ‘k hou geen blad voor de mond
– geen groen of grijs of roze –
’t is menens deze keer: ik wil vrucht!
kersen vol sap, rijp en zoet
ik wil spelen met mijn eten
je weet wel, met dat groen achter je oor
en een kers aan weerszijden
liefst de grootste in die rol
om te houden tot op ’t laatste
save the best for last I say
althans dat zeg ik ’s ochtends in de spiegel.

Laatst liet ik een nieuw tuinpad plaveien,
want ’t is weer zomer en ik wil buiten zitten
de puzzel is weer heel
en ook de nachtegaal is weer terug
hij zingt voor de kerselaar
(intussen draagt hij weer vrucht
van de hoogste categorie)
steeds een ander liedje
24/7
niet opnieuw niet opnieuw niet opnieuw
een kassei in uw ruit en hopsa!
ook deze Kees is klaar, ja ja!
de nieuwe klinker is bont
en de oude lijkt intussen wat groen

Confituur

Do you believe in life after love
of is alles op
de tube opgerold en uitgeknepen,
de pot uitgelepeld en afgelikt
hervuld met andere, verse confituur
een smaak die je liever hebt dan die
gewone abrikoos of kweepeer

Is er nog genoeg voor ’t ontbijt van morgen
hebben we nog een gevulde voorraadkast achter de hand of
is die kruimeldief ook daar mee weg?
Is die confituur zoeter of
biologisch gekweekt en niets aan toegevoegd?
Is die zero sugar? want ja
zo moet dat tegenwoordig
Heb je plots een abrikozenallergie of
koop je enkel nog lokaal?

Do you believe in life after love
of is alles al gepasseerd
gezien wat je moest,
gehoord wat je wou

Haarscherp en pruikvaag

We spelen weer hetzelfde lied,
ons volkslied,
jij kiest voor trompet en ik voor cello
jij kiest voor hobo en ik voor klarinet
maar wie vindt ’t eerst de cimbalen uit uit uit

Een fractie van een seconde
is al genoeg voor een breuk
er bestaat geen pil voor,
bitter of niet,
en een voorschrift platte rust doet meer kwaad dan goed
en dan hoor ik die cimbalen donderen

adem in
adem uit
adem in     en weer uit
in     uit     in     uit     in     uit
in   uit       in   uit       in   uit
in uit         in uit         in uit
   uit             uit              uit
  UIT            UIT            UIT
 UIT            UIT            UIT

Een ondertas aan diggelen,
bespot, bespat, beklad
met schraapsels muurverf
’t was wit en ’t keramiek eerder gebroken
met van dat bladgoud aan de rand
een daverend concert met de luchter als soliste
met ’t licht uit uit uit

Opgezwollen ogen en ego’s
vergezeld van een ongestrepsilde keel
en trillende handen, of is het nog steeds die luchter?
Is het die memorie die
contradictorisch haarscherp en pruikvaag is?

Een stroompje is ontsprongen aan een wilgenvoet,
maar de wilg is ziek, u ziet,
hij is drager van een parasiet
’t Is dat beestje van de aard’
en die wreed wreed vreet.
Het meandert naar believen,
haalt de ene wilg neer en negeert de andere
een zee zonder strandwacht
die verdrinkt in de oceaan

De diggeltjes laat ik even zo
plamuren en retoucheren is voor morgen
of overmorgen
of de dag erna
of wanneer ik mijn bed eindelijk durf uit uit uit

en voor het eerst besef ik:
het huis is kaal
het huis is leeg
en het stinkt naar ontbindende lijken.

Puntje van de i

De puntjes staan altijd op de i
en de zon rijst in het oosten
Regeringen zonder compromis
’t is wit of zwart
en niets daartussen
Een land in lichterlaaie
met brandhaarden ongedofelijk
een hittegolf van vonken die we voelen
en toch blussen

Lijm van boeken die jaar
na jaar
op zolder heeft gesleten
door apathie afgevreten,
disparu,
een vagevuur niet langer houdbaar
Een eenrichtingsverkeer
zonder enig kruispunt,
elk huis een cul-de-sac
(althans zo baas zo gevel)
maar nooit gekraakt
(en verre van geraakt)
en aan Pritt als substituut
heb ik me al eens teslecht gedaan:
en je weet wat ze zeggen van die ezel.

Geen wuiven van herkenning
of iets anders amicaal
allez, op die paardenkop toch na
“Dag Madeleine!”
“Bonjour Frou Frou de Bastogne!”
“Awel, zegde gij niks, meneer Hagel?”
(hun joie de vivre is aangebrand,
aangekoekt)
Eenzaam eet ik dan
die chocoprins, ja stereotiep
(De pot op met vanille!
Hetzelfde met Frou Frou en Madeleine!)
De kat heeft de tong
en mijn ei kan ik zo niet kwijt
(de ironie spat ervan)

Dan noteer ik in ’t geniep
verhuld met schone woorden
iets tussen taart en thee
of koffie, in mijn geval
“Wie deelt door nul is een sul”,
zei de meester van het eerste en
ik ben geen nul maar een één!
Ik is maar één ik,
maar ik plus ik is wij en
wij plus wij is wijder
Ik voel me zo van u
verengd, liever nog een i erbij
en het punt is gemaakt
al staat het er net niet loodrecht boven

In team

Ik hou
van muurbloemen en
rozen
vensterbanken van chalets met
bloembakken vol azalea’s in
een berglandschap ver
ver weg
die ruiken naar
dagen vergleden,
herinneringen vervaagd,
gelach gevloden
en van een streling van
die koude noordenwind met
de zon schijnend op mijn rug
van gemijmer en
gedraal en
een bekende hand om mijn schouder en
van het besef dat
er nog iemand houdt
van rustieke chalets
met zon en magnolia’s
die ruiken naar
verwarmende zuchten,
verhulde sensualiteit,
in team vertrouwen
in jou en mij.

Beyonce & Jay-Z

Ik ben niet uw
Beyonce
en gij al zeker niet mijn
Jay-Z want
zie
aanschouw
kijk mij aan,
gij zijt daar en
ik hoor niet thuis
in uw hiërarchie
uw woorden zijn blasé en
uw daden zijn overdaad maar
zie
aanschouw
kijk mij aan,
mijn R&B liegt niet
ik maak u geen blaasjes wijs
als ik zeg
dat uw brug nog geschreven wordt maar
dat ik ze niet bouw
ik ben geen serie op Netflix
na de ene speelt
de andere
vanzelf niet maar
zie
aanschouw
kijk mij aan,
en pauzeer niet halfweg en
dan
misschien dan
ben ik uw Beyonce
en gij mijn Jay-Z want gij
ziet
aanschouwt
kijkt mij uit.

Falsetto

Mijn falsetto is middelmatig
maar uw doremi is
beter dan de mijne en
ik zing maar
gij zingt een octaaf hoger
en ik wil het niet
ik heb genoeg van uw gesol
de sleutel naar mij is majeur
niet mineur en
gij wilt dat ík het afbol
in plaats van dat gij moet verdwijnen
noten van ironie
gij zegt altijd nee en
ik zeg ja, oui, mais si cheri
voor mij is ‘t leven ook een hard labeur
maar mij ziet ge niet wegkwijnen
ik
zing verder
op de tonen
van deze goedkope melodie

Zwanenmeer

’t Is zoals balletles met
een strenge lerares die
ooit nog Russisch kampioene
is geweest en
helemaal ontzet
mijn voeten staan al vol eelt
hoewel
mijn pointe nog moet komen want
ik sta hier niet stabiel
op de tippen van mijn tenen
ziet u ’t verband
mijn arabesque is nog
fragiel
ik ruik bloed en
ik proef tranen
zoekt er iemand het verband
of een windel of
een doekje voor het bloeden
nee dit zijn geen zwarte zwanen
maar ’t verband is al te hard doorbloed.

Fluweel

Nog voor ge iets kunt uiten
grijp ik mijn mantel en
loop ik door
naar buiten
ongestoord, volledig uitgemoord
is het tij gekanteld en
uw laatste poging voor
overhalen
in de kiem gesmoord
ge kunt ernaar fluiten
of toch proberen bedingen
weet dat ik aan u
mijn hart verloor
en ge weet hoe
ge mij zo kunt bedwingen
zoet verwoord
heerlijk befluweeld
ik wil alleen niet
achteraf
dat ik hoor
dat ik maar even moet besluiten
dat gij de hoofdrol speelt
in uw toneel
uw liefde valt niet te bezingen
nee nooit
valt uw liefde te bezingen
zolang ik slechts de bijrol speel.