je vraagt me wat er scheelt ik zeg
niets in het bijzonderling
mijn ogen prikken want ik hoorde daarnet
de koetjes tussen jullie onderling
je zei liever kwijt dan rijk
en je keek
maar je keek zonder
asteriskjes in je ogen
oehs en ahtjes die uitkwamen, bedrogen
melodietjes die me knikkebollend in slaap wiegen
de ademnood die me plots durft bevliegen
sweet nothings die enkel jij en ik begrijpen
dromen waar ik mezelf soms voor moet knijpen.
ik vraag me af is het geen zonde
dit ding dit iets dit
glooiend ontplooien
onze uitdovende schittering
en mijn ogen prikken, want ik hoorde daarnet
de kalfjes tussen jullie onderling
en je keek
maar je keek zonder
