De amicitia

Laatst liep ik het park door
links-rechts meanderend
(lees: paraderend, ik ken mezelf)
aan de oever van het meer
aan de voet van het kasteel
zette ik me
(lees: struikelend plofte ik een meter dichter dan waar ik verpozen wou,
half in drassig gras en gedeeltelijk in wat ik hoopte dat aarde was)
mijn omgeving was een vreemde,
een leverancier van het zoveelste pakje
dat je misschien toch niet nodig had,
behalve die wolfspoot en dat koninginnenkruid,
die stonden in bloei
en torenden boven hun buren uit
’t is niet van dat ranke korenriet
of een prachtige lelie,
maar ’t moet niet altijd chiqueting-chiquetang zijn
en daarbij, die twee zijn al chique genoeg

ik ben een gewone boer op weg naar huis
mijn gedachten meanderend
links-rechts
tussen kruid en poot en
plons
ik drijf plots in een vijver
van u ik mij hij ons je zij
de vloed is warm en voert me verder
in armen van bekend
in hartendruk van gerenommeerd
de omgeving is me niet vreemd
(lees: lees! lees!),
want dit is mijn huis,
een doodgewone gevel,
maar achter ’t deurtje
een paleis met Flip et Matil groen in een hoekje
als sjofele armoezaaiers
de ontbijttafel staat er gedekt
met zoete thee en zachtere woorden
en hartendruk die klopt
en nog voor het ja-woord ongevraagd,
doch immer welgekomen,
binnenvalt
ze schenkt de thee zo elegant
en hij biedt nog een sandwich aan

door het raam van die burcht
zie ik het meer en haar oever vol dras
de wolfspoot floreert,
reikt hoe langer hoe meer naar de zon
en raakt haar bijna aan
als een zoen op de wang
het koninginnenkruid is statig,
een plant die luistert naar haar volk
en voor hen haar handen uit de mouwen steekt
menigeen kust haar hand
of hunkert daar toch naar
(lees: voel! voel! voel!)
het gefluit van de waterketel voor de volgende kan thee schudt me wakker
het kopje thee dat koud aan het worden was, zet ik aan mijn lippen
ik drink het op
en schenk het volgende uit.