Mijn kapsel schreeuwt en mijn ogen zwijgen
of fluisteren als ze luid zijn
Lawaai is de vriend van het lief van de slager van uw nonkel
die je liever niet op de koffie ziet komen
(allez, ge hebt er nog mee in de klas gezeten)
Lawaai is de kleine broer van Storm,
nee niet de hippe naam die jonge ouders aan hun kind geven,
maar het natuurfenomeen
(allez, die bij uw broer in de klas zat,
die van dat feestje met het lek geprikte springkasteel)
zonderling, een uitzondering
een exceptie op het gangbare
afwijkend, divergent
iemand om te schuwen
te ksh-en en te juu-en
de kat op uw terras die eraf moet
(allez, want die van hiernaast heeft sowieso beestjes
en– blijf daar af heb ik gezegd! en zwijg!
ik zeg het geen twee keer he!)
mijn ogen schreeuwen
mijn irissen branden en mijn pupillen vernauwen
en registreren de flikkering als morse
een vuurzee aan informatie
uit observatie
Stilte is de zus van Lawaai en Storm uit een vorig huwelijk
(allez, die asblonde met haar brilletje
en een typisch strevertje)
ze takelt af op het netvlies
met Lawaai en Storm die blijven blijven blijven reageren
in de comment section
ze knippert als morse, maar,
haar interpunctie! trekt op niks!
en niemand begrijpt haar
ze wordt geksht en gejuut en andere beestjes
tot ze nog voor het openen van de slagerij
en het brouwen van de koffie
vertrok
Yvon Jaspers
Jij koos trompet en ik uiteindelijk ’t zelfde
een hoop op
een hunkering naar
harmonieus samenspel,
die geglazuurde appel,
maar ik heb te veel noten op mijn zang
en jij zelfs een taartje met pecan
mijn stem stokt, ze trilt
ze zigzagt en munt nooit uit
(hap hap hap tot op het klokhuis)
enkel voor tv mijn peis en vree
mijn weerbaarheid is obees
voorzitster van ’t Hof van Incassatie,
derde kamer,
maar ze bleek corrupt
ze kneep af en toe een oogje dicht
en af en toe werd meer wel dan niet
maar ze bleef aan,
werd nooit verdacht
ze heeft me bedrogen belogen bedot
(hap hap hap mijn huis klokt)
de appel valt niet ver van de boom,
maar soms wel ver van de andere appel
die hing immers aan de andere kant van de stam,
kreeg minder zon,
is minder zoet
zo’n vrucht die je mondhoeken manipuleert
je wangen verzuurt
en met krampen opzadelt
zo’n vrucht die je kauwen niet waard is
(hap hap hap)
voor het slikken te min
luisterend naar het eindeloze tikken van de klok
alleen overblijvend in de fruitmand
de harmonie is ontbonden
elke koperblazer nu solist
de noten zijn gekraakt gehakt gemalen
de weerbaarheid is omgekocht
en toch herverkozen
en de appel,
die is gehaphaphapt
(klokhuis incluis)
24/7 nachtegaal
Mijn vingers zijn niet groen
en mijn oren nog minder
ze zeggen dat mooie liedjes nooit lang duren,
maar dat is fout en ronduit cliché
niemand belet je op repeat te klikken en het volume omhoog te draaien
en hopsa, klaar is kees
24/7 nachtegaal
tot ongenoegen van familie en vrienden
met groetjes van de buren een proces-verbaal
platen draai ik grijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds hetzelfde liedje,
net dat mooie liedje
met ineens een valse noot en een breuk,
een barst in de klinker van het tuinpad
kronkelend langs de kerselaar
een muzikaal fiasco, die nachtegaal
eindelijk iets niet door een virus afgelast,
maar door mijn eigen gegrijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds dat grauwe liedje,
(zuchtend) net hetzelfde liedje
en hopsa! klaar is Kees!
de klinker opgepikt en meegenomen
een puzzelstuk van het tuinpad weg
een treurwilg van een kerselaar
en de nachtegaal trekt naar warmere oorden
mijn vingers zijn groen en
de rest van mijn lichaam eigenlijk ook
met uitzondering van mijn ogen,
die zijn afhankelijk van de lichtinval,
maar mijn oren zijn ’t dus zeker
dat is nogmaals bevestigd
maar net als je denkt dat de kerselaar uitmunt in treuren,
verbaast hij je hoe hij zo onophoudelijk
en ongestelpt kan
bloeien
verloederd naast het tuinpad
met hangende takken en verwaterde wortels
maar ‘k hou geen blad voor de mond
– geen groen of grijs of roze –
’t is menens deze keer: ik wil vrucht!
kersen vol sap, rijp en zoet
ik wil spelen met mijn eten
je weet wel, met dat groen achter je oor
en een kers aan weerszijden
liefst de grootste in die rol
om te houden tot op ’t laatste
save the best for last I say
althans dat zeg ik ’s ochtends in de spiegel.
Laatst liet ik een nieuw tuinpad plaveien,
want ’t is weer zomer en ik wil buiten zitten
de puzzel is weer heel
en ook de nachtegaal is weer terug
hij zingt voor de kerselaar
(intussen draagt hij weer vrucht
van de hoogste categorie)
steeds een ander liedje
24/7
niet opnieuw niet opnieuw niet opnieuw
een kassei in uw ruit en hopsa!
ook deze Kees is klaar, ja ja!
de nieuwe klinker is bont
en de oude lijkt intussen wat groen
Haarscherp en pruikvaag
We spelen weer hetzelfde lied,
ons volkslied,
jij kiest voor trompet en ik voor cello
jij kiest voor hobo en ik voor klarinet
maar wie vindt ’t eerst de cimbalen uit uit uit
Een fractie van een seconde
is al genoeg voor een breuk
er bestaat geen pil voor,
bitter of niet,
en een voorschrift platte rust doet meer kwaad dan goed
en dan hoor ik die cimbalen donderen
adem in
adem uit
adem in en weer uit
in uit in uit in uit
in uit in uit in uit
in uit in uit in uit
uit uit uit
UIT UIT UIT
UIT UIT UIT
Een ondertas aan diggelen,
bespot, bespat, beklad
met schraapsels muurverf
’t was wit en ’t keramiek eerder gebroken
met van dat bladgoud aan de rand
een daverend concert met de luchter als soliste
met ’t licht uit uit uit
Opgezwollen ogen en ego’s
vergezeld van een ongestrepsilde keel
en trillende handen, of is het nog steeds die luchter?
Is het die memorie die
contradictorisch haarscherp en pruikvaag is?
Een stroompje is ontsprongen aan een wilgenvoet,
maar de wilg is ziek, u ziet,
hij is drager van een parasiet
’t Is dat beestje van de aard’
en die wreed wreed vreet.
Het meandert naar believen,
haalt de ene wilg neer en negeert de andere
een zee zonder strandwacht
die verdrinkt in de oceaan
De diggeltjes laat ik even zo
plamuren en retoucheren is voor morgen
of overmorgen
of de dag erna
of wanneer ik mijn bed eindelijk durf uit uit uit
en voor het eerst besef ik:
het huis is kaal
het huis is leeg
en het stinkt naar ontbindende lijken.
Anna Mae
Het is niet langer vlees of vis of
quorn of seitan
’t Is geen kwestie van douche of bad
noch van personenwagen of gezins
Zie af van die santenboetiek,
die variëteit aan dit of datjes met
een overmaat aan Langeweile en ennui!
Ik heb lak, meneer,
aan dat gelimiteer en gekleineer
volgend uit de keuze voor A of B
Kan ik niet kiezen voor C,
bestaande uit A + B
of als mijn honger niet te groot is
een portie A gedeeld door 2?
Boef, gedaan, kappen – STOP!
Ik zeg nee, ik kies niet voor een
of-ofverhaal of
dit of datjes
Ik wil de kers én de taart en
een chocomousse on the side,
een patisseriepiraat met sterke volonté
maar net míjn volonté;
een doen-of-laten non-conform aan uw idee, meneer,
maar net een viering van mijn mij-zijn,
mijn innerlijke certitude die míj
– niet u –
in vuur en vlam zet.
Zet uzelf de spiegel voor en ga op restaurant!
Smul erop los en niet vergeten u te overeten!
Niets is sensueler.
Eet de kers,
en verorber die taart, bitch!
In team
Ik hou
van muurbloemen en
rozen
vensterbanken van chalets met
bloembakken vol azalea’s in
een berglandschap ver
ver weg
die ruiken naar
dagen vergleden,
herinneringen vervaagd,
gelach gevloden
en van een streling van
die koude noordenwind met
de zon schijnend op mijn rug
van gemijmer en
gedraal en
een bekende hand om mijn schouder en
van het besef dat
er nog iemand houdt
van rustieke chalets
met zon en magnolia’s
die ruiken naar
verwarmende zuchten,
verhulde sensualiteit,
in team vertrouwen
in jou en mij.
Beyonce & Jay-Z
Ik ben niet uw
Beyonce
en gij al zeker niet mijn
Jay-Z want
zie
aanschouw
kijk mij aan,
gij zijt daar en
ik hoor niet thuis
in uw hiërarchie
uw woorden zijn blasé en
uw daden zijn overdaad maar
zie
aanschouw
kijk mij aan,
mijn R&B liegt niet
ik maak u geen blaasjes wijs
als ik zeg
dat uw brug nog geschreven wordt maar
dat ik ze niet bouw
ik ben geen serie op Netflix
na de ene speelt
de andere
vanzelf niet maar
zie
aanschouw
kijk mij aan,
en pauzeer niet halfweg en
dan
misschien dan
ben ik uw Beyonce
en gij mijn Jay-Z want gij
ziet
aanschouwt
kijkt mij uit.
Falsetto
Mijn falsetto is middelmatig
maar uw doremi is
beter dan de mijne en
ik zing maar
gij zingt een octaaf hoger
en ik wil het niet
ik heb genoeg van uw gesol
de sleutel naar mij is majeur
niet mineur en
gij wilt dat ík het afbol
in plaats van dat gij moet verdwijnen
noten van ironie
gij zegt altijd nee en
ik zeg ja, oui, mais si cheri
voor mij is ‘t leven ook een hard labeur
maar mij ziet ge niet wegkwijnen
ik
zing verder
op de tonen
van deze goedkope melodie
Zwanenmeer
’t Is zoals balletles met
een strenge lerares die
ooit nog Russisch kampioene
is geweest en
helemaal ontzet
mijn voeten staan al vol eelt
hoewel
mijn pointe nog moet komen want
ik sta hier niet stabiel
op de tippen van mijn tenen
ziet u ’t verband
mijn arabesque is nog
fragiel
ik ruik bloed en
ik proef tranen
zoekt er iemand het verband
of een windel of
een doekje voor het bloeden
nee dit zijn geen zwarte zwanen
maar ’t verband is al te hard doorbloed.
Fluweel
Nog voor ge iets kunt uiten
grijp ik mijn mantel en
loop ik door
naar buiten
ongestoord, volledig uitgemoord
is het tij gekanteld en
uw laatste poging voor
overhalen
in de kiem gesmoord
ge kunt ernaar fluiten
of toch proberen bedingen
weet dat ik aan u
mijn hart verloor
en ge weet hoe
ge mij zo kunt bedwingen
zoet verwoord
heerlijk befluweeld
ik wil alleen niet
achteraf
dat ik hoor
dat ik maar even moet besluiten
dat gij de hoofdrol speelt
in uw toneel
uw liefde valt niet te bezingen
nee nooit
valt uw liefde te bezingen
zolang ik slechts de bijrol speel.
