Impasse

Het zweet staat me aan de lippen
ik had het moeten weten
op school had ik altijd al een onvoldoende
voor het zwemmen bij L.O.
een schoolslag kon ik wel,
maar krauw of grouw of kraai of krauwel
of hoe dan ook,
die slag kon ik niet slaan
en elke test in ’t bad
met angstzweet
zonder onderscheiding

Gisteren stormde het en de wind scheerde
– met gel geen schuim –
langs de luiken die open-toe lachten
er waaide eentje weg
en ’t was gedaan met de pret
het zweet droop van mijn voorhoofd
hup in dat bad
dat rozig kleurde
van ’t bloed via ’t kanaal langs Terneuzen
door mijn ogen zag ik niets
je vois la vie en rose
en dat zelfs zonder bril
mijn scherpte neemt niet af,
maar toe
open uw ogen,
optiekerszoon met lenzen
van zelfgenoegzaamheid
en weken oude limonine in een kan
van de pit
die bedierf.

Alles gaat goed

Ik heb tegen u gelogen
alles gaat goed
zei ik bij elke check-in,
check-out, want
alles gaat goed
mijn pink ziet blauw van het schrijven
niet door inspanning maar
door de inkt van mijn vulpen die uitloopt,
die wegloopt
en een druppelspoor achterlaat
in huis lijkt een moord gebeurd
en de opschoning verloopt niet vlot
het vergt bleekwater en UV-licht, maar
alles gaat goed
mijn tong is kreupel,
wat een serpent,
ze sist me toe dat
alles goed gaat
maar mijn schrijven sist terug
mijn bureau is een puinhoop en kronkelt een metertje verder
de verzwelgende zomerbries blaast mijn belangrijke papieren
(lees: kladblaadjes) in het rond
de teksten erop zijn half afgewerkt maar
alles gaat goed
de kronkels stoten mijn inktpot om en
godverdomme hè, hoe vaak moet ik het nog zeggen?

Alles. Gaat. Goed,
hou er nu over op.

In haar ogen

Mijn ogen lijken sterk op de hare
maar meer wil ‘k er niet over zeggen
want ze gaan verschuild achter een wolk,
een mist van verafgoding en vergetelheid
die helaas vaak hand in hand lopen
haar ogen smizen zoals een topmodel het zeggen zou
ze giechelen met een knipoog
en ze lachen in een oogopslag
de mijne daarentegen grijnzen enkel
als dat al lukt
een pijnlijke grimas kleurt mijn irissen grijs
en de spiegel vertelt me
dat die tint toch varieert van die van mijn idool
de katalysator in mijn besef
dat mijn ogen niets als de hare zijn
dat mijn jaloezie en mijn
nu gonzende
dan fluisterende
zeer
hun pijlen op haar richten
en haar smeken die kijkers te overhandigen
zelfs met wat slijtage
en meters op de teller
zijn ze nagenoeg onaangeroerd
ongeschonden
en onverbeterlijk,
maar wat later besef ik
eindelijk
dat ik ze niet nodig heb
want in haar ogen zijn de mijne gelijken

Ksh-en en juu-en

Mijn kapsel schreeuwt en mijn ogen zwijgen
of fluisteren als ze luid zijn
Lawaai is de vriend van het lief van de slager van uw nonkel
die je liever niet op de koffie ziet komen
(allez, ge hebt er nog mee in de klas gezeten)
Lawaai is de kleine broer van Storm,
nee niet de hippe naam die jonge ouders aan hun kind geven,
maar het natuurfenomeen
(allez, die bij uw broer in de klas zat,
die van dat feestje met het lek geprikte springkasteel)
zonderling, een uitzondering
een exceptie op het gangbare
afwijkend, divergent
iemand om te schuwen
te ksh-en en te juu-en
de kat op uw terras die eraf moet
(allez, want die van hiernaast heeft sowieso beestjes
en– blijf daar af heb ik gezegd! en zwijg!
ik zeg het geen twee keer he!)
mijn ogen schreeuwen
mijn irissen branden en mijn pupillen vernauwen
en registreren de flikkering als morse
een vuurzee aan informatie
uit observatie
Stilte is de zus van Lawaai en Storm uit een vorig huwelijk
(allez, die asblonde met haar brilletje
en een typisch strevertje)
ze takelt af op het netvlies
met Lawaai en Storm die blijven blijven blijven reageren
in de comment section
ze knippert als morse, maar,
haar interpunctie! trekt op niks!
en niemand begrijpt haar
ze wordt geksht en gejuut en andere beestjes
tot ze nog voor het openen van de slagerij
en het brouwen van de koffie
vertrok

24/7 nachtegaal

Mijn vingers zijn niet groen
en mijn oren nog minder
ze zeggen dat mooie liedjes nooit lang duren,
maar dat is fout en ronduit cliché
niemand belet je op repeat te klikken en het volume omhoog te draaien
en hopsa, klaar is kees
24/7 nachtegaal
tot ongenoegen van familie en vrienden
met groetjes van de buren een proces-verbaal

platen draai ik grijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds hetzelfde liedje,
net dat mooie liedje
met ineens een valse noot en een breuk,
een barst in de klinker van het tuinpad
kronkelend langs de kerselaar

een muzikaal fiasco, die nachtegaal
eindelijk iets niet door een virus afgelast,
maar door mijn eigen gegrijs
opnieuw en opnieuw en opnieuw
steeds dat grauwe liedje,
(zuchtend) net hetzelfde liedje
en hopsa! klaar is Kees!
de klinker opgepikt en meegenomen
een puzzelstuk van het tuinpad weg
een treurwilg van een kerselaar
en de nachtegaal trekt naar warmere oorden

mijn vingers zijn groen en
de rest van mijn lichaam eigenlijk ook
met uitzondering van mijn ogen,
die zijn afhankelijk van de lichtinval,
maar mijn oren zijn ’t dus zeker
dat is nogmaals bevestigd
maar net als je denkt dat de kerselaar uitmunt in treuren,
verbaast hij je hoe hij zo onophoudelijk
en ongestelpt kan
bloeien

verloederd naast het tuinpad
met hangende takken en verwaterde wortels
maar ‘k hou geen blad voor de mond
– geen groen of grijs of roze –
’t is menens deze keer: ik wil vrucht!
kersen vol sap, rijp en zoet
ik wil spelen met mijn eten
je weet wel, met dat groen achter je oor
en een kers aan weerszijden
liefst de grootste in die rol
om te houden tot op ’t laatste
save the best for last I say
althans dat zeg ik ’s ochtends in de spiegel.

Laatst liet ik een nieuw tuinpad plaveien,
want ’t is weer zomer en ik wil buiten zitten
de puzzel is weer heel
en ook de nachtegaal is weer terug
hij zingt voor de kerselaar
(intussen draagt hij weer vrucht
van de hoogste categorie)
steeds een ander liedje
24/7
niet opnieuw niet opnieuw niet opnieuw
een kassei in uw ruit en hopsa!
ook deze Kees is klaar, ja ja!
de nieuwe klinker is bont
en de oude lijkt intussen wat groen

Haarscherp en pruikvaag

We spelen weer hetzelfde lied,
ons volkslied,
jij kiest voor trompet en ik voor cello
jij kiest voor hobo en ik voor klarinet
maar wie vindt ’t eerst de cimbalen uit uit uit

Een fractie van een seconde
is al genoeg voor een breuk
er bestaat geen pil voor,
bitter of niet,
en een voorschrift platte rust doet meer kwaad dan goed
en dan hoor ik die cimbalen donderen

adem in
adem uit
adem in     en weer uit
in     uit     in     uit     in     uit
in   uit       in   uit       in   uit
in uit         in uit         in uit
   uit             uit              uit
  UIT            UIT            UIT
 UIT            UIT            UIT

Een ondertas aan diggelen,
bespot, bespat, beklad
met schraapsels muurverf
’t was wit en ’t keramiek eerder gebroken
met van dat bladgoud aan de rand
een daverend concert met de luchter als soliste
met ’t licht uit uit uit

Opgezwollen ogen en ego’s
vergezeld van een ongestrepsilde keel
en trillende handen, of is het nog steeds die luchter?
Is het die memorie die
contradictorisch haarscherp en pruikvaag is?

Een stroompje is ontsprongen aan een wilgenvoet,
maar de wilg is ziek, u ziet,
hij is drager van een parasiet
’t Is dat beestje van de aard’
en die wreed wreed vreet.
Het meandert naar believen,
haalt de ene wilg neer en negeert de andere
een zee zonder strandwacht
die verdrinkt in de oceaan

De diggeltjes laat ik even zo
plamuren en retoucheren is voor morgen
of overmorgen
of de dag erna
of wanneer ik mijn bed eindelijk durf uit uit uit

en voor het eerst besef ik:
het huis is kaal
het huis is leeg
en het stinkt naar ontbindende lijken.

Puntje van de i

De puntjes staan altijd op de i
en de zon rijst in het oosten
Regeringen zonder compromis
’t is wit of zwart
en niets daartussen
Een land in lichterlaaie
met brandhaarden ongedofelijk
een hittegolf van vonken die we voelen
en toch blussen

Lijm van boeken die jaar
na jaar
op zolder heeft gesleten
door apathie afgevreten,
disparu,
een vagevuur niet langer houdbaar
Een eenrichtingsverkeer
zonder enig kruispunt,
elk huis een cul-de-sac
(althans zo baas zo gevel)
maar nooit gekraakt
(en verre van geraakt)
en aan Pritt als substituut
heb ik me al eens teslecht gedaan:
en je weet wat ze zeggen van die ezel.

Geen wuiven van herkenning
of iets anders amicaal
allez, op die paardenkop toch na
“Dag Madeleine!”
“Bonjour Frou Frou de Bastogne!”
“Awel, zegde gij niks, meneer Hagel?”
(hun joie de vivre is aangebrand,
aangekoekt)
Eenzaam eet ik dan
die chocoprins, ja stereotiep
(De pot op met vanille!
Hetzelfde met Frou Frou en Madeleine!)
De kat heeft de tong
en mijn ei kan ik zo niet kwijt
(de ironie spat ervan)

Dan noteer ik in ’t geniep
verhuld met schone woorden
iets tussen taart en thee
of koffie, in mijn geval
“Wie deelt door nul is een sul”,
zei de meester van het eerste en
ik ben geen nul maar een één!
Ik is maar één ik,
maar ik plus ik is wij en
wij plus wij is wijder
Ik voel me zo van u
verengd, liever nog een i erbij
en het punt is gemaakt
al staat het er net niet loodrecht boven

In team

Ik hou
van muurbloemen en
rozen
vensterbanken van chalets met
bloembakken vol azalea’s in
een berglandschap ver
ver weg
die ruiken naar
dagen vergleden,
herinneringen vervaagd,
gelach gevloden
en van een streling van
die koude noordenwind met
de zon schijnend op mijn rug
van gemijmer en
gedraal en
een bekende hand om mijn schouder en
van het besef dat
er nog iemand houdt
van rustieke chalets
met zon en magnolia’s
die ruiken naar
verwarmende zuchten,
verhulde sensualiteit,
in team vertrouwen
in jou en mij.

Falsetto

Mijn falsetto is middelmatig
maar uw doremi is
beter dan de mijne en
ik zing maar
gij zingt een octaaf hoger
en ik wil het niet
ik heb genoeg van uw gesol
de sleutel naar mij is majeur
niet mineur en
gij wilt dat ík het afbol
in plaats van dat gij moet verdwijnen
noten van ironie
gij zegt altijd nee en
ik zeg ja, oui, mais si cheri
voor mij is ‘t leven ook een hard labeur
maar mij ziet ge niet wegkwijnen
ik
zing verder
op de tonen
van deze goedkope melodie

Zwanenmeer

’t Is zoals balletles met
een strenge lerares die
ooit nog Russisch kampioene
is geweest en
helemaal ontzet
mijn voeten staan al vol eelt
hoewel
mijn pointe nog moet komen want
ik sta hier niet stabiel
op de tippen van mijn tenen
ziet u ’t verband
mijn arabesque is nog
fragiel
ik ruik bloed en
ik proef tranen
zoekt er iemand het verband
of een windel of
een doekje voor het bloeden
nee dit zijn geen zwarte zwanen
maar ’t verband is al te hard doorbloed.