Jij koos trompet en ik uiteindelijk ’t zelfde
een hoop op
een hunkering naar
harmonieus samenspel,
die geglazuurde appel,
maar ik heb te veel noten op mijn zang
en jij zelfs een taartje met pecan
mijn stem stokt, ze trilt
ze zigzagt en munt nooit uit
(hap hap hap tot op het klokhuis)
enkel voor tv mijn peis en vree
mijn weerbaarheid is obees
voorzitster van ’t Hof van Incassatie,
derde kamer,
maar ze bleek corrupt
ze kneep af en toe een oogje dicht
en af en toe werd meer wel dan niet
maar ze bleef aan,
werd nooit verdacht
ze heeft me bedrogen belogen bedot
(hap hap hap mijn huis klokt)
de appel valt niet ver van de boom,
maar soms wel ver van de andere appel
die hing immers aan de andere kant van de stam,
kreeg minder zon,
is minder zoet
zo’n vrucht die je mondhoeken manipuleert
je wangen verzuurt
en met krampen opzadelt
zo’n vrucht die je kauwen niet waard is
(hap hap hap)
voor het slikken te min
luisterend naar het eindeloze tikken van de klok
alleen overblijvend in de fruitmand
de harmonie is ontbonden
elke koperblazer nu solist
de noten zijn gekraakt gehakt gemalen
de weerbaarheid is omgekocht
en toch herverkozen
en de appel,
die is gehaphaphapt
(klokhuis incluis)
